Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Bewustzijn’ Category

Grappig hoe twee filosofen van de VU kunnen claimen dat God springlevend is in de moderne filosofie (Volkskrant, Opinie en debat, 30 dec. 2014). De argumenten waarnaar ze kort verwijzen – de ‘finetuning van het universum en de ontdekking dat de kosmos een absoluut begin heeft gehad’ – wekken de indruk dat ze nog steeds geloven in de 18de eeuwse Ingenieursgod van het zogenaamde deïsme. Als God echter zo goed is in ‘finetuning’ blijft het de vraag waarom er zo onnoemlijk veel levende wezens moeten sterven omdat ze net niet aangepast zijn aan hun omgeving. Als God goed is, waarom behoren strijd, ellende, ouderdom en dood dan tot de essentie van het leven? Deze vraag heeft geen enkele filosoof in 25 eeuwen ooit bevredigend beantwoord.
Naar mijn smaak zijn er sinds Darwin echter nog drie nieuwe argumenten tegen het bestaan van een goede God bijgekomen. Ten eerste blijkt ‘finetuning’ in de natuur eenvoudig het gevolg te zijn van een geboorteoverschot en het verschil in voortplantingssucces van verschillende varianten in verschillende omgevingen. Er is geen Schepper van levende wezens meer nodig, want we begrijpen nu hoe de natuur tot haar aangepaste ‘ontwerpen’ komt door strijd, ellende en dood. Het probleem van de goede schepper en het kwaad in de wereld is daarmee opgelost: de goede schepper is niet slechts een overbodige, maar vooral een misplaatste hypothese.
Ten tweede beginnen we te begrijpen waarom zaken als geest en bewustzijn zijn ontstaan. In den beginne was er geen geest. Een paar miljard jaar waren er op aarde niets dan eencelligen. Pas toen er na een heel lange periode eindelijk meercelligen ontstonden en die elkaar begonnen op te eten, ontstond er een wapenwedloop op het gebied van informatieverwerking. Mobiele meercelligen die leefden van andere meercelligen hadden speciale informatie verwervende en verwerkende cellen nodig om hun prooien, partners en vijanden te lokaliseren en hun concurrenten voor te blijven. Uiteindelijk evolueerden geestelijke eigenschappen dus als producten van evolutie – niet als de oorzaak ervan. De ‘geest-eerst’-filosofie draait dus de zaken om. Bij de moderne evolutiebiologie past een ‘geest-laat’-filosofie. Ik zou zelfs een lans willen breken voor een ‘geest-zelden’-filosofie, gezien het moeizame ontstaan en mogelijk relatief snelle vergaan van intelligente roofapen met technologie.
Ten derde komt er nog een nieuw argument bij dat voortkomt uit voortschrijdend inzicht in het ontstaan van religies. Op het moment wordt er veel onderzoek gedaan naar het ontstaan van religies, zowel natuurreligies als monotheïsme. Veel onderzoekers, inclusief filosofen, denken dat religie een groepsbindende functie heeft. Het geloof in strenge of moraliserende goden lijkt voort te komen uit een behoefte aan sociale controle in relatief grote samenlevingen met veel niet-verwanten. Het derde argument tegen het bestaan van God is dan ook gebaseerd op een soort weegschaal voor theorieën: als er een goede verklaring is voor het ontstaan van religie en godsdienst in het algemeen weegt dat zwaarder dan een zwakke onderbouwing van een specifieke variant van godsdienst in het bijzonder. Als je moet kiezen tussen een wereldbeeld waarin collectieve illusies soms zorgen voor lokale eensgezindheid en het wereldbeeld van twee VU-filosofen die eensgezind in God geloven scoort de ene theorie meer dan de andere op punten zoals eenvoud, consistentie en verklaringskracht.

Advertenties

Read Full Post »

In zijn artikel over neurobiologie en de vrije wil (zaterdag 28 januari 2012, Volkskrant Mark Mieras Vrije wil 28jan12 Volkskrant) maakt Mark Mieras er wel een potje van. Enerzijds suggereert hij dat er geen vrij wil kan bestaan, omdat bewuste besluiten onbewust worden voorbereid. Anderzijds stelt hij vast dat een fatalistische ontkenning van de vrije wil werkt als een self-fullfilling prophecy en dus… de vrije wil verzwakt. Een besluit over de vraag of er nu wèl of niet een vrije wil bestaat zou vervolgens geen zaak zijn voor biologen, maar voor filosofen. Die kunnen daar nog duizenden jaren lekker over kibbelen.
Er bestaan echter natuurlijk vele specialismen, maar slechts één wereld. In die wereld bestaat er een vrije wil of niet: en àls zij bestaat zullen neurobiologen haar ergens in de hersenen moeten kunnen localiseren, terwijl filosofen zullen moeten kunnen bewijzen dat de ontkenningen ervan weinig onderbouwd waren.
Om maar met het laatste te beginnen: het experiment waaraan Mark Mieras meedoet toont natuurlijk niet aan dat er geen vrije wil bestaat. Het toont wel overtuigend aan dat we niet transparant voor onszelf zijn. Om in metaforen te spreken: het toont aan dat de directeur weinig weet van het geroezemoes op de werkvloer. Het zou natuurlijk helemaal raar zijn als er voorafgaand aan een ‘spontaan’ besluit helemaal geen hersenactiviteit werd gemeten: dat zou geen indicatie zijn van een vrije wil, maar vooral van een ingreep van buiten, een onafhankelijke ziel. Als er een vrije wil bestaat in de ons bekende wereld moet deze ergens in de hersenen zijn werk doen en niet daarbuiten.
Hoe zou je zo’n vrije wil dan wel kunnen vaststellen? Je zult moeten aantonen dat de verschillende componenten van de vrije wil allemaal aanwezig zijn. Dat zijn onder andere driftbeheersing, het vermogen om vooruit te denken en te plannen, het vermogen alternatieve scenario’s te doordenken, het vermogen deze te wegen en dan ook een knoop door te hakken, het vermogen je eigen gedrag te berouwen en te leren van je fouten. Her en der vind ik in het artikel van Mieras verwijzingen naar onderzoek naar dergelijke talenten. Driftbeheersing blijkt onder invloed van alcohol te staan, het vermogen om te plannen moet Mark Mieras nota bene bij de proef uitschakelen (‘dat is niet de bedoeling’), het vermogen knopen door te hakken is bij Parkinson-patiënten verzwakt. Dat zouden allemaal aanwijzingen kunnen zijn van een complexe netwerkeigenschap van het menselijk brein, waarbij de voorhersenen impulsen uit dieper gelegen hersendelen omvormen en orkestreren in functie van sociale en morele doelen. Als we alleen maar driften hadden, hadden we niet één dirigerend gedragslijn – een wil – en als die wil slechts een som was van driften was ze niet vrij.
Als je de vrije wil aan het werk wilt zien met een MRI-scanner moet je er een besluitend persoon meerdere dagen inleggen als hij op het punt staat te scheiden of zijn baan op te zeggen. Je zult dan waarschijnlijk verschillende gebieden zien die bezig zijn met verschillende opties. Er is helemaal niks mis mee als je het besluit al een beetje kunt voorspellen op basis van allerlei hersenactiviteit. Het zou wel fout zijn als de mannen in de witte jassen zouden gaan bepalen of je moest gaan scheiden of je baan op moest zeggen, want het blijft de proefpersoon zèlf die uiteindelijk de knoop moet doorhakken. Vaak gebeurd dat na een nachtje slapen, dus deels met behulp van een heleboel onbewuste afwegingen, omdat alleen zo een robuust en evenwichtig besluit tot stand komt.
Het hele idee (van o.a. Frans Crick) dat we onvrij zijn, omdat onze keuzen een zaak zijn van een heleboel hersencellen, is dus fout. Wees blij dat onze vrijheid niet afhangt van het bestaan van elven en feeën. Wij zijn hooguit vrij omdat onze hersenen fris en monter afwegingen kunnen maken, waarbij onze driften niet zò dominant zijn dat we niet meer rustig over alle opties kunnen nadenken. Onder invloed van alcohol en de ziekte van Parkinson zijn we natuurlijk een stuk minder vrij. Vrijheid ontwikkelt zich ook tijdens je jeugd naarmate je leert niet blindelings elke impuls te volgen, maar eerst eens rustig na te denken. Het vermogen lijkt voor een belangrijk deel te schuilen in de voorhersenen die nog tijdens de pubertijd bezig zijn te rijpen. Als de voorhersenen nog niet zo sterk ontwikkeld zijn heb je nog meer behoefte aan externe autoriteiten om je gedrag een beetje bij te sturen, daarna wordt je geacht dat zelf meer te kunnen.
Maar is zo’n soort vrijheid – in filosofenjargon, een compatibilistisch begrip van vrijheid – alleen een zaak van filosofen, en niet van biologen? Natuurlijk niet !!! Ten eerste hebben psychologen uitgebreid aangetoond dat onbewuste processen een grotere rol spelen dan veel filosofen mogelijk hadden geacht. De vrije wil blijkt een stuk brozer en machtlozer te zijn dan moralisten en filosofen graag hadden gewild, iets waar ook Ridderinkhof in het artikel van Mieras op wijst. Het is inderdaad een directeur die maar ten dele weet wat er gaande is op de werkvloer, een kapitein op een klein bootje – soms dobberend op een erg grote oceaan.
Ten tweede omvat de biologie natuurlijk ook de evolutie van gedrag. Je kunt in het dierenrijk observeren hoe bijvoorbeeld bij mensapen de driftbeheersing ontstaat. Driftbeheersing maakt toeweiding aan langdurige projecten mogelijk, het maakt het mogelijk je intenties voor anderen te verbergen en het maakt samenwerking mogelijk. Allemaal zaken die je in het gedrag van dieren en vroege hominiden kunt proberen te bestuderen. Andere componenten van de vrije wil, zoals het vermogen vooruit te denken en scenario’s te vergelijken, kun je eveneens bestuderen bij de kleine groep dieren die daartoe in staat is. Een chimpansee die een stapeltje stenen klaarlegt om er de bezoekers van de dierentuin mee te bekogelen kijkt tenminste enige uren vooruit.
Het is een interessante vraag waar ons vermogen om voortdurend te broeden op verschillende opties uit is voortgekomen. Het zal ongetwijfeld iets te maken gehad hebben met de geleidelijke toename van de complexiteit van het menselijk samenleven. Chimpansees moeten als vruchteneteres en jagers al vaak kiezen waar ze naar toe gaan en met wie, maar op een gegeven moment moesten vroege mensen steeds vaker besluiten welke taak, partner, rol het best bij hen paste in een gegeven ecologische en economische situaties. Naarmate de samenleving complexer werd en de samenwerkingsverbanden waarin groepen bevoorraad, verdedigd en gestuurd werden sneller veranderden moesten individuen steeds meer wikken en wegen om zich aan te passen. Dat hield zelfonderzoek in, een voortdurend nadenken over verschillende scenario’s, een voortdurende worsteling met keuzen. Als we louter konden afgaan op onze elementaire driften, zouden we het relatief gemakkelijk hebben. Maar helaas, in deze complexe sociale, ecologische en economische wereld zijn wij toch echt gedoemd tot vrijheid.

Read Full Post »

Aan de heer Darwin, hemelstraat 1882, ziel nummer zoveel

Geachte heer Darwin,

Een tijdje terug was het 150 jaar geleden – 24 november 1859 – dat u de wereld veranderde met uw boek the Origin of Species. Pas anderhalve eeuw later dringt het tot velen door hoezeer uw theorieën onze wereldbeschouwing op de kop zetten. U besefte dat al in 1838, maar was in eerste instantie gepreoccupeerd met het vinden van ondersteunende gegevens. U wilde in de eerste plaats voor vol aangezien worden als degelijke wetenschapper. In de filosofie kon daarom heel lang worden volgehouden dat u louter een natuurwetenschapper was. In de geschiedenissen van de filosofie wordt uw naam meestal hooguit zijdelings genoemd. En dat terwijl juist de filosofie een grondige poging is om een omvattende levensbeschouwing te vinden. Laat ik proberen op een rijtje te zetten hoe uw ideeën de filosofie verder helpen.
1. Millenia lang kon men de natuur alleen verklaren als schepping van een God. Doelmatigheid en doelgerichtheid leken afkomstig te zijn van een soort Groot Omvattend Doelbewustzijn. Met uw theorie van natuurlijke selektie verklaarde u het ontstaan van doelmatigheid en doelgerichtheid in de natuur zonder voorafgaande doel. Natuurlijke selektie werkt als een zeef waarin alleen het doelmatige en doelgerichte blijft hangen: de rest wordt steeds uitgeselekteerd. Geen wonder dat we overal doelmatige en doelgerichte wezens zien! Wij hebben geleidelijk ontdekt dat ze allemaal afstammen van zichzelf kopiërende reuzemolekulen die een soort “programma” of “recept” bevatten voor de opbouw van andere stoffen. Dit soort “recepten” ontstaan dus door toeval en worden door variatie en selectie verder ontwikkeld. Blijkens uw schets van een evolutieboom in uw notitieboekje van 1838 – ja, dat kan nu iedereen lezen! – was u al vroeg doordrongen van het feit dat evolutie geen doelgericht proces is. Variatie en selectie verklaren wèl het ontstaan van lokale doelgerichte en doelmatige organismen.
2. Uit een ander notitieboekje uit die periode blijkt dat u inzag dat uw theorie het “raadsel van onze kennis” oplost. Kennis is geen mysterie meer als het nodig is om te overleven. Onze geest heeft een aantal aangeboren handvatten om de wereld te vatten. Zonder veel moeite zijn we in staat een samenhangende oorzakelijke en gekleurde wereld vol betekenissen te destilleren uit wat we waarnemen. De “voorkennis” of “a priori kennis” waar Plato en Kant heel geheimzinnig over deden is dus een natuurlijk gegeven. “Plato says in Phaedo that our “necessary ideas” arise from the preexistence of the soul, are not derivable from experience – read monkeys for preexistence. (M-Notebook, ca. 1838).” “I suspect the endless round of doubts & scepticisms might be solved by considering the origin of reason, as gradually developed. (N-Notebook, ca 1838).” Het onstaan van ons verstand door natuurlijke selectie verklaart natuurlijk ook waarom het zo ontoereikend is voor het begrijpen van de macro- en microkosmos en waarom we ons zo gemakkelijk vastklampen aan allerlei dwalingen buiten het onmiddellijk praktisch bereik. Ons verstand is primair een hulpmiddel bij het overleven, geen wetenschappelijke instantie.
3. Uw theorie verklaart zo ook het bewustzijn. Niet kennis is het belangrijkst, maar handelen. Er zijn niet alleen aangeboren kenstructuren nodig om te wereld te “vatten”, er zijn ook aangeboren belevingsstructuren nodig om een keuze mogelijk te maken tussen allerlei opties. Wij verwerken niet louter neutrale informatie, wij moeten vooral gedwongen worden voor onszelf en de onzen te zorgen. Daarom verwerken we informatie uiterst selectief en subjectief. Aanvankelijk was een serie reflexen voldoende, maar toen onze voorouders meer kennis kregen van de wereld moesten ze hun mogelijkheden leren afwegen. Pijn en genot werden leermomenten en geleidelijk ontwikkelde zich een fijn vertakt netwerk van aangeboren waarderingen: vreugde en verdriet,  verlangen, voldoening, teleurstelling.  Wij vatten de wereld in het raamwerk van onze gevoelens, die ons in staat stellen afwegingen te maken en onze weg te bepalen. Soms moeten we met de harde hand van negatieve emoties weerhouden worden van daden, vaak drijft enthousiasme ons om bijna onmogelijke taken op ons te nemen en ook nog te volbrengen, voortdurend vergelijken we scenario’s op basis van de verwachte hoeveelheid plezier of ellende…
4. Alles wijst erop dat u geleidelijk ontdekte dat de hypothese van een goede scheppergod niet meer nodig was en zelfs onverenigbaar is met alles wat er in de natuur gebeurt. Maar het belangrijkste argument hoor je eigenlijk na anderhalve eeuw nog steeds zelden. Mijns inziens is het belangrijkste argument tegen een scheppergod het idee dat geest geëvolueerd is om beweeglijke dieren te oriënteren en te sturen. Geest is een produkt van de evolutie en staat dus niet aan het begin! Geest heeft nooit kunnen ontstaan voordat het nodig was ermee te overleven. Of zijn de geesten van de goden geëvolueerd om duivels te slim af te zijn, om nectar en ambrozijn te vinden in de oneindige ruimten? Maar dan bestonden die ruimten en die duivels al en gingen die goden dus niet vooraf aan de wereld.
5. Uw theorie maakt uiteindelijk een einde aan het idee dat de mens volkomen uniek is en apart staat tegenover de rest van de natuur. In de twintigste eeuw is er natuurlijk nog regelmatig gesteld dat de mens een creatie is van de cultuur, en dus van zichzelf, maar geleidelijk weten we wel beter. Mensen scheppen culturen om met bepaalde omgevingen te kunnen omgaan. Er zijn ook andere dieren met cultuur, bijvoorbeeld de chimpansee, maar die cultuur doordringt nog niet alle handelingsdomeinen. Toch ontdekken we steeds meer dat er toch universeel menselijke kenmerken onder alle culturele variatie zitten. Er zitten bijvoorbeeld vaste patronen in de gevoelens van mensen in velerlei cultuuren, maar de officiële huwelijksvormen hangen sterk af van ecologische factoren. Verschillende studies laten zien dat wat in de verschillende culturen precies opgevat wordt als “succes” sterk afhangt van de omgeving, maar dat het wel steeds de succesvollen zijn – of dat nu de beste jagers, krijgers, boeren, of handelaars zijn – die de meeste vrouwen en kinderen hebben. Culturen die helemaal indruisen tegen onze natuurlijke impulsen kunnen eventjes bestaan, maar zullen al snel weer worden teruggedraait. Uiteindelijk draait de cultuur om het doorgeven van genen. Die kennis danken we aan u, ook al wist u nog niets van genen.
6. Uw theorieën helpen ons enorm bij het begrijpen van altruïsme en moraal. Omdat u nog niets wist van genen kon u niet bevroeden dat we met behulp van genen de oorsprong van de hypersociale werksterklasse bij vliesvleugeligen zouden kunnen verklaren. Maar blijkens hoofdstuk 5 van de Descent of Man zat u toch wel op een goed spoor met het verklaren van de moraal. U wijst bijvoorbeeld op de grote rol van bondgenootschappen en op de rol van lof en laken. U suggereert zelfs dat een voortdurende stammenstrijd bij primitieve mensen gedisciplineerde groepen zou kunnen kweken met een hoge graad van harmonie. Het lijkt er echter op dat ook al een klein beetje competitie tussen groepen voldoende is om de saamhorigheid binnen een groep te bevorderen. Er is recent geopperd dat de gedeelde zorg voor zeer afhankelijke baby’s en kinderen de onderlinge zorgzaamheid bij mensen zou hebben bevorderd. We zijn er nog lang niet uit hoe de moraal precies ontstaan is. Maar de huidige modellen beginnen alle met de basis die u gelegd heeft met de begrippen van natuurlijke en seksuele selectie.
7. Het probleem van de vrije wil krijgt een nieuwe dimensie vanuit uw theorieën. In de eerste plaats lijkt de angst ongegrond dat onze bewuste beleving een compleet fout beeld geeft van ons gedrag. Zelfbedrog kan heel functioneel zijn, vooral in sociale en morele contexten. Maar anderzijds zou bewustzijn niet geëvolueerd zijn als het geen functie had. Ons beeld van menselijk gedrag moet enigszins juist zijn om dezelfde reden dat ons beeld van de wereld enigszins juist moet zijn: om te overleven hebben we soms goede informatie nodig. Het ziet er dus naar uit dat de berekeningen die wij op ons “organisch dashboard” uitvoeren kunnen resulteren in èchte beslissingen. Geen wonder dat niets zoveel energie vreet als een groot besluit. Aan de andere kant straft het proces van selectie individuen af die al te vrij zijn en hun driften en biologische doelen totaal verwaarlozen. De wil is dan misschien een beetje vrij, zonder drang en driften die ons dwingen om doelen te bepalen, is zij volkomen stuurloos. Net zoals een gebrek aan vrijheid het aanpassingsvermogen beperkt, zo zou een teveel aan vrijheid ons doen uitsterven.
8. Filosofen zijn de laatste eeuw heel erg bang geworden dat er morele principes worden afgeleid uit uw theorieën. Dat komt voor een deel omdat men niet begreep dat er ook heel veel prettige eigenschappen kunnen ontstaan door natuurlijke en seksuele selectie. Maar natuurlijk kun je geen waarden afleiden uit feiten. Uit de wetenschap volgen geen voorschriften, omdat je logisch gezien geen behoren af kunt leiden uit een zijn. Maar ondanks die logische kloof, liggen wetenschap en wijsheid natuurlijk dicht bij elkaar en worden zij vaak door dezelfde mensen belichaamt. Mensen hebben nu eenmaal vaak gelijke belangen, doelen en zorgen. Zij kunnen derhalve vaak semi-objectiverend praten over dat wat zij gezamenlijk als wenselijk en “goed” beschouwen. In de praktijk bestaat er natuurlijk geen absoluut “platoons” goed dat boven de partijen goed is voor allen. Moralen belichamen nu eenmaal belangen en wat goed is voor de één is vaak minder goed voor de ander. Toch denk ik dat er vanuit een evolutionair perspectief veel te zeggen valt over normen en waarden. Het belang van dierenwelzijn wordt belangrijker naarmate we meer weten over bewustzijn bij dieren. Het idee van gelijkheid kan een nieuwe impuls krijgen als we ons realiseren dat mensen onderling sterk verwant zijn en dat menselijke verschillen vaak verschillend geëvolueerde talenten zijn. Een groot deel van onze evolutie hebben wij doorgebracht in behoorlijk “platte” samenlevingen waarin alle talenten nodig waren en iedereen er bijhoorde. Kennis van de evolutie herinnert er ons tenslotte aan dat wij deel uitmaken van de natuur en dat wij vergaand afhankelijk zijn van gunstige klimatologische omstandigheden. Wij zijn geëvolueerd onder bijzondere klimatologische omstandigheden en wij zullen hoogstwaarschijnlijk ook weer uitsterven onder bijzonder klimatologische omstandigheden. We hebben dus heel goede redenen om een beetje voorzichtig om te springen met het klimaat.
Geachte heer Darwin, beste Charles, die laatste zinnen zouden u waarschijnlijk zeer verbazen. Dat een bijzondere aap zou kunnen bijdragen aan een klimaatverandering was in de negentiende eeuw nauwelijks voorstelbaar. U heeft bovendien altijd het uniformitarisme omarmt en niet het catastrofisme van Cuvier en consorten. Ik moet bekennen dat we erachter komen dat ook het catastrofisme waar blijkt te zijn, ook al is er geen god die na elke catastrofe opnieuw begint, zoals Cuvier dacht. Maar rampen spelen een grote rol in de evolutie. In zekere zin is de mensheid ondertussen een “plaag” geworden die de evolutie net zozeer kan gaan beïnvloeden als voorheen vulkanen, kometen, en continentendrift: Malthus meets Cuvier.
Ik kan me voorstellen dat u het op dit moment niet meer kan volgen. Dat hoeft ook niet. Op dit moment volstaat het dat u zich realiseert dat we op bijna alle gebieden van de filosofie verder zijn gekomen door uw inspanningen en dat we op dit moment uw visie wel eens meer dan ooit nodig hebben. Daarom hoop ik dat filosofen u nog vaker betrekkingen in hun beschouwingen dan ze voorheen hebben gedaan. Dat ze u opnemen in hun geschiedenissen van het denken. En dat uw boeken blijven bijdragen aan het besef hoezeer we we voortkomen uit en afhankelijk zijn van de natuur die we nog steeds meestal zo gedachtenloos verstoren.

Read Full Post »