Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Vrije wil’ Category

In zijn artikel over neurobiologie en de vrije wil (zaterdag 28 januari 2012, Volkskrant Mark Mieras Vrije wil 28jan12 Volkskrant) maakt Mark Mieras er wel een potje van. Enerzijds suggereert hij dat er geen vrij wil kan bestaan, omdat bewuste besluiten onbewust worden voorbereid. Anderzijds stelt hij vast dat een fatalistische ontkenning van de vrije wil werkt als een self-fullfilling prophecy en dus… de vrije wil verzwakt. Een besluit over de vraag of er nu wèl of niet een vrije wil bestaat zou vervolgens geen zaak zijn voor biologen, maar voor filosofen. Die kunnen daar nog duizenden jaren lekker over kibbelen.
Er bestaan echter natuurlijk vele specialismen, maar slechts één wereld. In die wereld bestaat er een vrije wil of niet: en àls zij bestaat zullen neurobiologen haar ergens in de hersenen moeten kunnen localiseren, terwijl filosofen zullen moeten kunnen bewijzen dat de ontkenningen ervan weinig onderbouwd waren.
Om maar met het laatste te beginnen: het experiment waaraan Mark Mieras meedoet toont natuurlijk niet aan dat er geen vrije wil bestaat. Het toont wel overtuigend aan dat we niet transparant voor onszelf zijn. Om in metaforen te spreken: het toont aan dat de directeur weinig weet van het geroezemoes op de werkvloer. Het zou natuurlijk helemaal raar zijn als er voorafgaand aan een ‘spontaan’ besluit helemaal geen hersenactiviteit werd gemeten: dat zou geen indicatie zijn van een vrije wil, maar vooral van een ingreep van buiten, een onafhankelijke ziel. Als er een vrije wil bestaat in de ons bekende wereld moet deze ergens in de hersenen zijn werk doen en niet daarbuiten.
Hoe zou je zo’n vrije wil dan wel kunnen vaststellen? Je zult moeten aantonen dat de verschillende componenten van de vrije wil allemaal aanwezig zijn. Dat zijn onder andere driftbeheersing, het vermogen om vooruit te denken en te plannen, het vermogen alternatieve scenario’s te doordenken, het vermogen deze te wegen en dan ook een knoop door te hakken, het vermogen je eigen gedrag te berouwen en te leren van je fouten. Her en der vind ik in het artikel van Mieras verwijzingen naar onderzoek naar dergelijke talenten. Driftbeheersing blijkt onder invloed van alcohol te staan, het vermogen om te plannen moet Mark Mieras nota bene bij de proef uitschakelen (‘dat is niet de bedoeling’), het vermogen knopen door te hakken is bij Parkinson-patiënten verzwakt. Dat zouden allemaal aanwijzingen kunnen zijn van een complexe netwerkeigenschap van het menselijk brein, waarbij de voorhersenen impulsen uit dieper gelegen hersendelen omvormen en orkestreren in functie van sociale en morele doelen. Als we alleen maar driften hadden, hadden we niet één dirigerend gedragslijn – een wil – en als die wil slechts een som was van driften was ze niet vrij.
Als je de vrije wil aan het werk wilt zien met een MRI-scanner moet je er een besluitend persoon meerdere dagen inleggen als hij op het punt staat te scheiden of zijn baan op te zeggen. Je zult dan waarschijnlijk verschillende gebieden zien die bezig zijn met verschillende opties. Er is helemaal niks mis mee als je het besluit al een beetje kunt voorspellen op basis van allerlei hersenactiviteit. Het zou wel fout zijn als de mannen in de witte jassen zouden gaan bepalen of je moest gaan scheiden of je baan op moest zeggen, want het blijft de proefpersoon zèlf die uiteindelijk de knoop moet doorhakken. Vaak gebeurd dat na een nachtje slapen, dus deels met behulp van een heleboel onbewuste afwegingen, omdat alleen zo een robuust en evenwichtig besluit tot stand komt.
Het hele idee (van o.a. Frans Crick) dat we onvrij zijn, omdat onze keuzen een zaak zijn van een heleboel hersencellen, is dus fout. Wees blij dat onze vrijheid niet afhangt van het bestaan van elven en feeën. Wij zijn hooguit vrij omdat onze hersenen fris en monter afwegingen kunnen maken, waarbij onze driften niet zò dominant zijn dat we niet meer rustig over alle opties kunnen nadenken. Onder invloed van alcohol en de ziekte van Parkinson zijn we natuurlijk een stuk minder vrij. Vrijheid ontwikkelt zich ook tijdens je jeugd naarmate je leert niet blindelings elke impuls te volgen, maar eerst eens rustig na te denken. Het vermogen lijkt voor een belangrijk deel te schuilen in de voorhersenen die nog tijdens de pubertijd bezig zijn te rijpen. Als de voorhersenen nog niet zo sterk ontwikkeld zijn heb je nog meer behoefte aan externe autoriteiten om je gedrag een beetje bij te sturen, daarna wordt je geacht dat zelf meer te kunnen.
Maar is zo’n soort vrijheid – in filosofenjargon, een compatibilistisch begrip van vrijheid – alleen een zaak van filosofen, en niet van biologen? Natuurlijk niet !!! Ten eerste hebben psychologen uitgebreid aangetoond dat onbewuste processen een grotere rol spelen dan veel filosofen mogelijk hadden geacht. De vrije wil blijkt een stuk brozer en machtlozer te zijn dan moralisten en filosofen graag hadden gewild, iets waar ook Ridderinkhof in het artikel van Mieras op wijst. Het is inderdaad een directeur die maar ten dele weet wat er gaande is op de werkvloer, een kapitein op een klein bootje – soms dobberend op een erg grote oceaan.
Ten tweede omvat de biologie natuurlijk ook de evolutie van gedrag. Je kunt in het dierenrijk observeren hoe bijvoorbeeld bij mensapen de driftbeheersing ontstaat. Driftbeheersing maakt toeweiding aan langdurige projecten mogelijk, het maakt het mogelijk je intenties voor anderen te verbergen en het maakt samenwerking mogelijk. Allemaal zaken die je in het gedrag van dieren en vroege hominiden kunt proberen te bestuderen. Andere componenten van de vrije wil, zoals het vermogen vooruit te denken en scenario’s te vergelijken, kun je eveneens bestuderen bij de kleine groep dieren die daartoe in staat is. Een chimpansee die een stapeltje stenen klaarlegt om er de bezoekers van de dierentuin mee te bekogelen kijkt tenminste enige uren vooruit.
Het is een interessante vraag waar ons vermogen om voortdurend te broeden op verschillende opties uit is voortgekomen. Het zal ongetwijfeld iets te maken gehad hebben met de geleidelijke toename van de complexiteit van het menselijk samenleven. Chimpansees moeten als vruchteneteres en jagers al vaak kiezen waar ze naar toe gaan en met wie, maar op een gegeven moment moesten vroege mensen steeds vaker besluiten welke taak, partner, rol het best bij hen paste in een gegeven ecologische en economische situaties. Naarmate de samenleving complexer werd en de samenwerkingsverbanden waarin groepen bevoorraad, verdedigd en gestuurd werden sneller veranderden moesten individuen steeds meer wikken en wegen om zich aan te passen. Dat hield zelfonderzoek in, een voortdurend nadenken over verschillende scenario’s, een voortdurende worsteling met keuzen. Als we louter konden afgaan op onze elementaire driften, zouden we het relatief gemakkelijk hebben. Maar helaas, in deze complexe sociale, ecologische en economische wereld zijn wij toch echt gedoemd tot vrijheid.

Advertenties

Read Full Post »

Aan de heer Darwin, hemelstraat 1882, ziel nummer zoveel

Geachte heer Darwin,

Een tijdje terug was het 150 jaar geleden – 24 november 1859 – dat u de wereld veranderde met uw boek the Origin of Species. Pas anderhalve eeuw later dringt het tot velen door hoezeer uw theorieën onze wereldbeschouwing op de kop zetten. U besefte dat al in 1838, maar was in eerste instantie gepreoccupeerd met het vinden van ondersteunende gegevens. U wilde in de eerste plaats voor vol aangezien worden als degelijke wetenschapper. In de filosofie kon daarom heel lang worden volgehouden dat u louter een natuurwetenschapper was. In de geschiedenissen van de filosofie wordt uw naam meestal hooguit zijdelings genoemd. En dat terwijl juist de filosofie een grondige poging is om een omvattende levensbeschouwing te vinden. Laat ik proberen op een rijtje te zetten hoe uw ideeën de filosofie verder helpen.
1. Millenia lang kon men de natuur alleen verklaren als schepping van een God. Doelmatigheid en doelgerichtheid leken afkomstig te zijn van een soort Groot Omvattend Doelbewustzijn. Met uw theorie van natuurlijke selektie verklaarde u het ontstaan van doelmatigheid en doelgerichtheid in de natuur zonder voorafgaande doel. Natuurlijke selektie werkt als een zeef waarin alleen het doelmatige en doelgerichte blijft hangen: de rest wordt steeds uitgeselekteerd. Geen wonder dat we overal doelmatige en doelgerichte wezens zien! Wij hebben geleidelijk ontdekt dat ze allemaal afstammen van zichzelf kopiërende reuzemolekulen die een soort “programma” of “recept” bevatten voor de opbouw van andere stoffen. Dit soort “recepten” ontstaan dus door toeval en worden door variatie en selectie verder ontwikkeld. Blijkens uw schets van een evolutieboom in uw notitieboekje van 1838 – ja, dat kan nu iedereen lezen! – was u al vroeg doordrongen van het feit dat evolutie geen doelgericht proces is. Variatie en selectie verklaren wèl het ontstaan van lokale doelgerichte en doelmatige organismen.
2. Uit een ander notitieboekje uit die periode blijkt dat u inzag dat uw theorie het “raadsel van onze kennis” oplost. Kennis is geen mysterie meer als het nodig is om te overleven. Onze geest heeft een aantal aangeboren handvatten om de wereld te vatten. Zonder veel moeite zijn we in staat een samenhangende oorzakelijke en gekleurde wereld vol betekenissen te destilleren uit wat we waarnemen. De “voorkennis” of “a priori kennis” waar Plato en Kant heel geheimzinnig over deden is dus een natuurlijk gegeven. “Plato says in Phaedo that our “necessary ideas” arise from the preexistence of the soul, are not derivable from experience – read monkeys for preexistence. (M-Notebook, ca. 1838).” “I suspect the endless round of doubts & scepticisms might be solved by considering the origin of reason, as gradually developed. (N-Notebook, ca 1838).” Het onstaan van ons verstand door natuurlijke selectie verklaart natuurlijk ook waarom het zo ontoereikend is voor het begrijpen van de macro- en microkosmos en waarom we ons zo gemakkelijk vastklampen aan allerlei dwalingen buiten het onmiddellijk praktisch bereik. Ons verstand is primair een hulpmiddel bij het overleven, geen wetenschappelijke instantie.
3. Uw theorie verklaart zo ook het bewustzijn. Niet kennis is het belangrijkst, maar handelen. Er zijn niet alleen aangeboren kenstructuren nodig om te wereld te “vatten”, er zijn ook aangeboren belevingsstructuren nodig om een keuze mogelijk te maken tussen allerlei opties. Wij verwerken niet louter neutrale informatie, wij moeten vooral gedwongen worden voor onszelf en de onzen te zorgen. Daarom verwerken we informatie uiterst selectief en subjectief. Aanvankelijk was een serie reflexen voldoende, maar toen onze voorouders meer kennis kregen van de wereld moesten ze hun mogelijkheden leren afwegen. Pijn en genot werden leermomenten en geleidelijk ontwikkelde zich een fijn vertakt netwerk van aangeboren waarderingen: vreugde en verdriet,  verlangen, voldoening, teleurstelling.  Wij vatten de wereld in het raamwerk van onze gevoelens, die ons in staat stellen afwegingen te maken en onze weg te bepalen. Soms moeten we met de harde hand van negatieve emoties weerhouden worden van daden, vaak drijft enthousiasme ons om bijna onmogelijke taken op ons te nemen en ook nog te volbrengen, voortdurend vergelijken we scenario’s op basis van de verwachte hoeveelheid plezier of ellende…
4. Alles wijst erop dat u geleidelijk ontdekte dat de hypothese van een goede scheppergod niet meer nodig was en zelfs onverenigbaar is met alles wat er in de natuur gebeurt. Maar het belangrijkste argument hoor je eigenlijk na anderhalve eeuw nog steeds zelden. Mijns inziens is het belangrijkste argument tegen een scheppergod het idee dat geest geëvolueerd is om beweeglijke dieren te oriënteren en te sturen. Geest is een produkt van de evolutie en staat dus niet aan het begin! Geest heeft nooit kunnen ontstaan voordat het nodig was ermee te overleven. Of zijn de geesten van de goden geëvolueerd om duivels te slim af te zijn, om nectar en ambrozijn te vinden in de oneindige ruimten? Maar dan bestonden die ruimten en die duivels al en gingen die goden dus niet vooraf aan de wereld.
5. Uw theorie maakt uiteindelijk een einde aan het idee dat de mens volkomen uniek is en apart staat tegenover de rest van de natuur. In de twintigste eeuw is er natuurlijk nog regelmatig gesteld dat de mens een creatie is van de cultuur, en dus van zichzelf, maar geleidelijk weten we wel beter. Mensen scheppen culturen om met bepaalde omgevingen te kunnen omgaan. Er zijn ook andere dieren met cultuur, bijvoorbeeld de chimpansee, maar die cultuur doordringt nog niet alle handelingsdomeinen. Toch ontdekken we steeds meer dat er toch universeel menselijke kenmerken onder alle culturele variatie zitten. Er zitten bijvoorbeeld vaste patronen in de gevoelens van mensen in velerlei cultuuren, maar de officiële huwelijksvormen hangen sterk af van ecologische factoren. Verschillende studies laten zien dat wat in de verschillende culturen precies opgevat wordt als “succes” sterk afhangt van de omgeving, maar dat het wel steeds de succesvollen zijn – of dat nu de beste jagers, krijgers, boeren, of handelaars zijn – die de meeste vrouwen en kinderen hebben. Culturen die helemaal indruisen tegen onze natuurlijke impulsen kunnen eventjes bestaan, maar zullen al snel weer worden teruggedraait. Uiteindelijk draait de cultuur om het doorgeven van genen. Die kennis danken we aan u, ook al wist u nog niets van genen.
6. Uw theorieën helpen ons enorm bij het begrijpen van altruïsme en moraal. Omdat u nog niets wist van genen kon u niet bevroeden dat we met behulp van genen de oorsprong van de hypersociale werksterklasse bij vliesvleugeligen zouden kunnen verklaren. Maar blijkens hoofdstuk 5 van de Descent of Man zat u toch wel op een goed spoor met het verklaren van de moraal. U wijst bijvoorbeeld op de grote rol van bondgenootschappen en op de rol van lof en laken. U suggereert zelfs dat een voortdurende stammenstrijd bij primitieve mensen gedisciplineerde groepen zou kunnen kweken met een hoge graad van harmonie. Het lijkt er echter op dat ook al een klein beetje competitie tussen groepen voldoende is om de saamhorigheid binnen een groep te bevorderen. Er is recent geopperd dat de gedeelde zorg voor zeer afhankelijke baby’s en kinderen de onderlinge zorgzaamheid bij mensen zou hebben bevorderd. We zijn er nog lang niet uit hoe de moraal precies ontstaan is. Maar de huidige modellen beginnen alle met de basis die u gelegd heeft met de begrippen van natuurlijke en seksuele selectie.
7. Het probleem van de vrije wil krijgt een nieuwe dimensie vanuit uw theorieën. In de eerste plaats lijkt de angst ongegrond dat onze bewuste beleving een compleet fout beeld geeft van ons gedrag. Zelfbedrog kan heel functioneel zijn, vooral in sociale en morele contexten. Maar anderzijds zou bewustzijn niet geëvolueerd zijn als het geen functie had. Ons beeld van menselijk gedrag moet enigszins juist zijn om dezelfde reden dat ons beeld van de wereld enigszins juist moet zijn: om te overleven hebben we soms goede informatie nodig. Het ziet er dus naar uit dat de berekeningen die wij op ons “organisch dashboard” uitvoeren kunnen resulteren in èchte beslissingen. Geen wonder dat niets zoveel energie vreet als een groot besluit. Aan de andere kant straft het proces van selectie individuen af die al te vrij zijn en hun driften en biologische doelen totaal verwaarlozen. De wil is dan misschien een beetje vrij, zonder drang en driften die ons dwingen om doelen te bepalen, is zij volkomen stuurloos. Net zoals een gebrek aan vrijheid het aanpassingsvermogen beperkt, zo zou een teveel aan vrijheid ons doen uitsterven.
8. Filosofen zijn de laatste eeuw heel erg bang geworden dat er morele principes worden afgeleid uit uw theorieën. Dat komt voor een deel omdat men niet begreep dat er ook heel veel prettige eigenschappen kunnen ontstaan door natuurlijke en seksuele selectie. Maar natuurlijk kun je geen waarden afleiden uit feiten. Uit de wetenschap volgen geen voorschriften, omdat je logisch gezien geen behoren af kunt leiden uit een zijn. Maar ondanks die logische kloof, liggen wetenschap en wijsheid natuurlijk dicht bij elkaar en worden zij vaak door dezelfde mensen belichaamt. Mensen hebben nu eenmaal vaak gelijke belangen, doelen en zorgen. Zij kunnen derhalve vaak semi-objectiverend praten over dat wat zij gezamenlijk als wenselijk en “goed” beschouwen. In de praktijk bestaat er natuurlijk geen absoluut “platoons” goed dat boven de partijen goed is voor allen. Moralen belichamen nu eenmaal belangen en wat goed is voor de één is vaak minder goed voor de ander. Toch denk ik dat er vanuit een evolutionair perspectief veel te zeggen valt over normen en waarden. Het belang van dierenwelzijn wordt belangrijker naarmate we meer weten over bewustzijn bij dieren. Het idee van gelijkheid kan een nieuwe impuls krijgen als we ons realiseren dat mensen onderling sterk verwant zijn en dat menselijke verschillen vaak verschillend geëvolueerde talenten zijn. Een groot deel van onze evolutie hebben wij doorgebracht in behoorlijk “platte” samenlevingen waarin alle talenten nodig waren en iedereen er bijhoorde. Kennis van de evolutie herinnert er ons tenslotte aan dat wij deel uitmaken van de natuur en dat wij vergaand afhankelijk zijn van gunstige klimatologische omstandigheden. Wij zijn geëvolueerd onder bijzondere klimatologische omstandigheden en wij zullen hoogstwaarschijnlijk ook weer uitsterven onder bijzonder klimatologische omstandigheden. We hebben dus heel goede redenen om een beetje voorzichtig om te springen met het klimaat.
Geachte heer Darwin, beste Charles, die laatste zinnen zouden u waarschijnlijk zeer verbazen. Dat een bijzondere aap zou kunnen bijdragen aan een klimaatverandering was in de negentiende eeuw nauwelijks voorstelbaar. U heeft bovendien altijd het uniformitarisme omarmt en niet het catastrofisme van Cuvier en consorten. Ik moet bekennen dat we erachter komen dat ook het catastrofisme waar blijkt te zijn, ook al is er geen god die na elke catastrofe opnieuw begint, zoals Cuvier dacht. Maar rampen spelen een grote rol in de evolutie. In zekere zin is de mensheid ondertussen een “plaag” geworden die de evolutie net zozeer kan gaan beïnvloeden als voorheen vulkanen, kometen, en continentendrift: Malthus meets Cuvier.
Ik kan me voorstellen dat u het op dit moment niet meer kan volgen. Dat hoeft ook niet. Op dit moment volstaat het dat u zich realiseert dat we op bijna alle gebieden van de filosofie verder zijn gekomen door uw inspanningen en dat we op dit moment uw visie wel eens meer dan ooit nodig hebben. Daarom hoop ik dat filosofen u nog vaker betrekkingen in hun beschouwingen dan ze voorheen hebben gedaan. Dat ze u opnemen in hun geschiedenissen van het denken. En dat uw boeken blijven bijdragen aan het besef hoezeer we we voortkomen uit en afhankelijk zijn van de natuur die we nog steeds meestal zo gedachtenloos verstoren.

Read Full Post »

Is de vrije wil verenigbaar met het natuurwetenschappelijk wereldbeeld? Al eeuwen wordt over deze kwestie gedebatteerd en er zijn hele filosofieën ontworpen om te laten zien hoe de vrije wil toch kan samengaan met het wetenschappelijk wereldbeeld. In de filosofie staan meestal twee opvattingen tegenover elkaar. Volgens de ene is de vrije wil in strijd met het determinisme, het uitgangspunt dat het universum bepaald wordt door oorzaak-gevolg reeksen. Deze opvatting wordt door filosofen ‘incompatibilisme’ genoemd en kan leiden tot een verwerpen van de vrije wil (‘hard determinisme, fatalisme’) en tot een geloof in een indeterministische vrije wil (‘libertarisme’).
De tegenovergestelde opvatting – het zogenaamd ‘compatibilisme’ (of ‘soft determinisme’) – wordt echter ook vaak verdedigd. In principe impliceert het determinisme immers geen dwang van buiten. Ook al zou je gedrag helemaal oorzakelijk bepaald zijn, je zou juist binnen het raamwerk van deze natuurlijke oorzakelijkheid een kiezend weefsel kunnen zijn dat zelf reflecterend bepaald wat het wil en doet. In principe hoeven de fysische natuurwetten het bestaan van een organisme niet uit te sluiten dat in staat is allerlei mogelijke scenario’s te overwegen en de beste mogelijkheid te kiezen.
We kunnen we nog eeuwen doorfilosoferen over de vraag of de vrije wil nu wel of niet verenigbaar is met het determinisme. Ondertussen beschikken we echter over veel meer theoretische kaders dan alleen over de natuurkunde, waarop de meeste klassieke filosofen reageerden. De natuurkunde heeft weinig vat op complexe systeemeigenschappen omdat ze vooral inzoomt op afzonderlijke aspecten of componenten. Er zijn natuurlijk ook genoeg mogelijkheden om complexe systemen als de mens te voorspellen vanuit andere wetenschappen. In feite voorspellen we elkaars gedrag sowieso voortdurend. We mòeten elkaars gedrag ook een beetje kunnen voorspellen om überhaupt samen te kunnen leven. Een moderne menselijke samenleving is niet mogelijk zonder een organisatiestructuur waarin gedrag voorspelbaar wordt gemaakt door een veelheid van regels en afspraken. Maar dat besef helpt ons niet veel verder met de vraag of de vrije wil nu wel of niet verenigbaar is met een wetenschappelijk wereldbeeld.
Naar mijn mening moeten we terug naar de vraag of er een organisme mogelijk is dat in staat is in vrijheid mogelijkheden te overwegen en te kiezen. De analyses van een aantal neurobiologen als Victor Lamme zijn dan ook heel belangrijk. Zij laten zien dat onderbewuste factoren een grotere rol spelen dan wij doorgaans beseffen. Het idee dat wij een kiezend weefsel zijn dat ook nog eens volkomen transparant voor zichzelf is blijkt niet te kloppen. Er zit echter een paradox in de beweringen van neurowetenschappers die de vrije wil ontkennen. Zij bewijzen uitvoerig dat schijnbaar volkomen bewuste beslissingen toch bepaald worden door onbewuste factoren, maar ze stellen vervolgens niet de vraag waarom bewustzijn dan überhaupt nog nodig is.
Er is dus een nog breder kader nodig dan de neurobiologie om deze vraag te beantwoorden. De vraag waarom bewustzijn geëvolueerd is behoort tot het domein van de evolutionarie psychologie. Deze plaatst de neurobiologie in de vierde dimensie van het wel en wee, reproductief succes en falen van talloze generaties neuraal weefsel. Om vat te krijgen op de complexe systeemeigenschappen van organismen wordt het dan belangrijk om je af te vragen of ze een functie hebben of louter een bijverschijnsel zijn van een ander functioneel proces. Het is onwaarschijnlijk dat een pregnante eigenschap als bewustzijn totaal geen enkele functie heeft.
Vanuit een evolutionaire benadering van de psychologie kunnen we ons dus de vraag stellen waartoe bewustzijn dient en of het mogelijk of waarschijnlijk is dat er een aap evolueert met een bewust denkend en vrij kiezend weefsel. Zou er een rechtoplopende aap met een de natuur overstijgende vrije wil hebben kunnen evolueren? Nu is een complex orgaan als het oog ook niet in één keer onstaan. Lichtgevoelige cellen zijn geleidelijk steeds dieper in een putje komen te liggen om meer informatie te kunnen geven over de richting van waaruit licht en schaduwen afkomstig waren. Het putje werd beschermd met een lichtdoorlatend huidje dat geleidelijk lensachtige eigenschappen kreeg. Dus ook zoiets als een vrije wil zou stap voor stap ontstaan moeten zijn, waarbij elke afzonderlijke stap de voortplantingsmogelijkheden van het organisme vergroot moet hebben.
Alles begon natuurlijk bij beweging. Automobiele organismen moeten weten welke kant ze op moeten en moeten zich oriënteren. Onze aapachtige voorouders moesten een beetje kunnen anticiperen om van boom tot boom te springen en al helemaal om te bedenken waar ze vruchten gingen zoeken. Het beklimmen van de sociale ladder was nog moeilijker. Op de apenrots moeten voortdurend vlooipartners, coalitiegenoten en seksmaatjes worden gekozen. Om agressie te voorkomen is het soms nodig jezelf te beheersen. Het kan geen kwaad flink vooruit te denken.
Gedragsbiologen en primatologen laten regelmatig zien dat een aantal diersoorten soms kunnen vooruitzien en zichzelf zelfs kunnen beheersen. Het verhaal van een chimpansee in een Zweedse dierentuin die ‘sochtends een stapeltje stenen klaarlegde om er ‘smiddags de bezoekers mee te bekogelen trok wereldwijd de aandacht. Frans de Waal vertelt mooi over een chimpansee die zijn kennis over een paar door de onderzoekers begraven bananen netjes verbergt totdat de andere chimpansees uit de buurt zijn om ze vervolgens snel op te graven.
In onze eigen tak van de evolutieboom lijkt het vermogen om vooruit te kijken sprongsgewijs belangrijker geworden te zijn. Het vervaardigen van gereedschappen vergt enige planning en zelfcontrole. De sociale taakverdeling die nodig is bij jacht en bij het ruilen van gereedschappen vergt misschien nog wel meer overzicht. Om in een samenwerkende groep te opereren helpt inlevingsvermogen om het gedrag van anderen te begrijpen en voorspellen en om de hechtheid van de groep verder te waarborgen. Als je vooruit kunt kijken en je kunt inleven en beheersen komen de onmiddellijke impulsen echter steeds meer onder de controle te staan van een soort onafhankelijke instantie die de uiteindelijke baas in je brein wordt. Op die manier evolueert iets wat al een beetje op de befaamde vrije wil begint te lijken.
De wil is oorspronkelijk misschien eenvoudig de koers die het organisme vaart onder invloed van een optelsom en staartdeling van een veelheid van impulsen. Onder invloed van een hoeveelheid vooruitzien en inlevingsvermogen komt de wil echter een beetje vrij te staan van de driften. Bewustzijn lijkt ook nodig te zijn om de gevolgen van je keuzen voor je eigen welzijn te voorvoelen. Ziedaar de miraculeurze geboorte van de bewuste vrije wil door evolutie, geheel vergelijkbaar met het ontstaan van het complexe oog met netvlies en lenzen. Tijdens sommige evolutietrajecten coëvolueren oog en wil zelfs wel even, omdat je nu eenmaal informatie nodig hebt om te kunnen kiezen.
De neurobioloog Kornhuber – voorloper van Libet, maar ook een knap filosoof – vergeleek de menselijke vrijheid met een mozaïek. Het is een door evolutie gepoleist vermogen om te kiezen, waarbij bewustzijn, vooruitzien, zelfkennis, zelfbeheersing, inlevingsvermogen, daadkracht en het vermogen tot plannen geïntegreerd zijn. Een complex organisch beslissingssysteem dat uiteindelijk ook berust op het vermogen de waarden te voelen van een veelheid van factoren, mogelijkheden en relevante voorwerpen en personen vanuit ons hyperindividueel perspectief. Dit belevingsaspect maakt deze waarden dwingend en kiezen onvermijdelijk en waarborgt de afweging vanuit de belangen van onze genen. Vrijheid lijkt vooral ook geëvolueerd om ons in staat te stellen de juiste rollen te spelen in een complexe op samenwerking gebaseerde cultuur. Zij is dus helemaal niet in strijd met de natuurnoodzakelijkheid, zoals de incompatibilisten claimen, maar berust juist op de wetten van een vergevorderde cybernetica en bio-informatica. De vrije wil, zoals wij die kennen, heeft geleid tot een subtiel systeem van driftbeheersing en planning, waarvoor mensen over speciale gebieden beschikken, vooral in hun voorhersenen. Als je je voorhoofd stoot mag je hopen dat je vrije wil niet door de war raakt.
Maar betekent dit nu dat wij vrije engelen zijn die onze wilde oorsprong volledig ontgroeid zijn? Dat zou betekenen dat we evolutie zien als een proces van vooruitgang en loskomen, terwijl het toch duidelijk een proces blijft van overleven, het zich blijven voeden, verdedigen en voortplanten in steeds nieuwe contexten. Nieuwe talenten ontstaan voortdurend, maar ze moeten zich wel terugverdienen in termen van fitness en nakomelingen. Als de evolutie dus een aap heeft voorzien van de vrije wil, zal zij er tegelijkertijd zorg voor dragen dat deze aap geen engeltje gaat spelen en vergeet te eten, waakzaam te zijn en zich voort te planten. Dat betekent dat de vrije wil wel getraind moet worden tijdens een verlengde jeugdfase, maar dat zij uiteindelijk toch zal moeten kiezen tussen de heel aardse driften die haar voortbestaan in een volgende generatie waarborgen. Filosofen hebben het bewustzijn en de vrije wil te vaak geïdealiseerd als een soort bovennatuurlijke talenten. Het bewustzijn dat zij zo graag presenteren als een zich van de natuur loszingende droom belichaamt wellicht niets minder dan de vorm waarin de natuur ons dwingt om keuzen te maken en ons in staat stelt de gevolgen van onze keuzen te voorvoelen.
Vanuit evolutionair perspectief moet de vrije wil dus wel een beperkt vermogen zijn. Neurobiologen die haar volkomen ontkennen, zoals Schwaab en Lamme, trekken overhaaste incompatibilistische conclusies en negeren bovendien belangrijke collega’s als Kornhuber. Maar zij hebben gelijk als zij claimen dat de menselijke vrijheid een beperkt vermogen is om tussen deels onbewust voorgebakken opties te kiezen. Veel mogelijkheden worden helemaal nooit overwogen en de redenen die wij verzinnen voor onze keuzen komen maar gedeeltelijk overeen met de werkelijke oorzaken: wij zijn nu eenmaal niet volkomen transparant voor onszelf. Een wezen dat zijn eigen natuur zou kunnen kiezen, zoals Sartre dat zich voorstelt, kan niet evolueren: wijzelf kunnen hooguit uit onze natuur kiezen. Ook op verre planeten zullen geen engelen kunnen evolueren die vergeten tijdig te vechten, te eten, te vluchten en zich voort te planten.
Een dergelijk realistisch beeld van een beperkte vrije wil kan wellicht leiden tot een wat mildere samenleving, waarin verschillen tussen mensen meer geaccepteerd worden. Natuurlijk blijven straffen nodig, omdat je de boeven geen vrijbrief moet verschaffen, maar iedereen voortdurend moet blijven opvoeden en bijsturen. In een enigszins voorspelbare en rechtvaardige samenleving moet het duidelijk blijven wat de gevolgen zijn van bepaalde keuzen. Misdaad mag nooit gaan lonen en inlevingsvermogen moet verdiend worden met inlevingsvermogen. In die zin is de maatschappelijke orde zeker een morele orde. Maar dat impliceert niet dat iedereen dezelfde keuzes had en dezelfde uitgangspositie, zowel maatschappelijk als qua talenten, zodat we altijd rekening moeten houden met de mogelijkheid dat een bepaalde keuze niet volledig representatief is voor het arsenaal aan mogelijkheden waarover iemand in werkelijkheid beschikt.
Al met al kunnen we concluderen dat de gemiddelde burger met gezonde, goed functionerende voorhersenen en zonder al te zware dwangstoornissen en wanen, best over een redelijk vrije wil beschikt. Dit is echter geen engelachtig talent de natuur te overstijgen. Het is slechts het vermogen van een slimme aap om bij vlagen te denken alvorens te doen, uiteindelijk ontstaan om die aap in staat te stellen het juiste voedsel, de goede partner, de juiste rol, en de beste strategie te kiezen in een complexe samenleving die berust op samenwerking, taakverdelingen en ruilhandel.

Read Full Post »