Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Zijn en behoren’ Category

Aan de heer Darwin, hemelstraat 1882, ziel nummer zoveel

Geachte heer Darwin,

Een tijdje terug was het 150 jaar geleden – 24 november 1859 – dat u de wereld veranderde met uw boek the Origin of Species. Pas anderhalve eeuw later dringt het tot velen door hoezeer uw theorieën onze wereldbeschouwing op de kop zetten. U besefte dat al in 1838, maar was in eerste instantie gepreoccupeerd met het vinden van ondersteunende gegevens. U wilde in de eerste plaats voor vol aangezien worden als degelijke wetenschapper. In de filosofie kon daarom heel lang worden volgehouden dat u louter een natuurwetenschapper was. In de geschiedenissen van de filosofie wordt uw naam meestal hooguit zijdelings genoemd. En dat terwijl juist de filosofie een grondige poging is om een omvattende levensbeschouwing te vinden. Laat ik proberen op een rijtje te zetten hoe uw ideeën de filosofie verder helpen.
1. Millenia lang kon men de natuur alleen verklaren als schepping van een God. Doelmatigheid en doelgerichtheid leken afkomstig te zijn van een soort Groot Omvattend Doelbewustzijn. Met uw theorie van natuurlijke selektie verklaarde u het ontstaan van doelmatigheid en doelgerichtheid in de natuur zonder voorafgaande doel. Natuurlijke selektie werkt als een zeef waarin alleen het doelmatige en doelgerichte blijft hangen: de rest wordt steeds uitgeselekteerd. Geen wonder dat we overal doelmatige en doelgerichte wezens zien! Wij hebben geleidelijk ontdekt dat ze allemaal afstammen van zichzelf kopiërende reuzemolekulen die een soort “programma” of “recept” bevatten voor de opbouw van andere stoffen. Dit soort “recepten” ontstaan dus door toeval en worden door variatie en selectie verder ontwikkeld. Blijkens uw schets van een evolutieboom in uw notitieboekje van 1838 – ja, dat kan nu iedereen lezen! – was u al vroeg doordrongen van het feit dat evolutie geen doelgericht proces is. Variatie en selectie verklaren wèl het ontstaan van lokale doelgerichte en doelmatige organismen.
2. Uit een ander notitieboekje uit die periode blijkt dat u inzag dat uw theorie het “raadsel van onze kennis” oplost. Kennis is geen mysterie meer als het nodig is om te overleven. Onze geest heeft een aantal aangeboren handvatten om de wereld te vatten. Zonder veel moeite zijn we in staat een samenhangende oorzakelijke en gekleurde wereld vol betekenissen te destilleren uit wat we waarnemen. De “voorkennis” of “a priori kennis” waar Plato en Kant heel geheimzinnig over deden is dus een natuurlijk gegeven. “Plato says in Phaedo that our “necessary ideas” arise from the preexistence of the soul, are not derivable from experience – read monkeys for preexistence. (M-Notebook, ca. 1838).” “I suspect the endless round of doubts & scepticisms might be solved by considering the origin of reason, as gradually developed. (N-Notebook, ca 1838).” Het onstaan van ons verstand door natuurlijke selectie verklaart natuurlijk ook waarom het zo ontoereikend is voor het begrijpen van de macro- en microkosmos en waarom we ons zo gemakkelijk vastklampen aan allerlei dwalingen buiten het onmiddellijk praktisch bereik. Ons verstand is primair een hulpmiddel bij het overleven, geen wetenschappelijke instantie.
3. Uw theorie verklaart zo ook het bewustzijn. Niet kennis is het belangrijkst, maar handelen. Er zijn niet alleen aangeboren kenstructuren nodig om te wereld te “vatten”, er zijn ook aangeboren belevingsstructuren nodig om een keuze mogelijk te maken tussen allerlei opties. Wij verwerken niet louter neutrale informatie, wij moeten vooral gedwongen worden voor onszelf en de onzen te zorgen. Daarom verwerken we informatie uiterst selectief en subjectief. Aanvankelijk was een serie reflexen voldoende, maar toen onze voorouders meer kennis kregen van de wereld moesten ze hun mogelijkheden leren afwegen. Pijn en genot werden leermomenten en geleidelijk ontwikkelde zich een fijn vertakt netwerk van aangeboren waarderingen: vreugde en verdriet,  verlangen, voldoening, teleurstelling.  Wij vatten de wereld in het raamwerk van onze gevoelens, die ons in staat stellen afwegingen te maken en onze weg te bepalen. Soms moeten we met de harde hand van negatieve emoties weerhouden worden van daden, vaak drijft enthousiasme ons om bijna onmogelijke taken op ons te nemen en ook nog te volbrengen, voortdurend vergelijken we scenario’s op basis van de verwachte hoeveelheid plezier of ellende…
4. Alles wijst erop dat u geleidelijk ontdekte dat de hypothese van een goede scheppergod niet meer nodig was en zelfs onverenigbaar is met alles wat er in de natuur gebeurt. Maar het belangrijkste argument hoor je eigenlijk na anderhalve eeuw nog steeds zelden. Mijns inziens is het belangrijkste argument tegen een scheppergod het idee dat geest geëvolueerd is om beweeglijke dieren te oriënteren en te sturen. Geest is een produkt van de evolutie en staat dus niet aan het begin! Geest heeft nooit kunnen ontstaan voordat het nodig was ermee te overleven. Of zijn de geesten van de goden geëvolueerd om duivels te slim af te zijn, om nectar en ambrozijn te vinden in de oneindige ruimten? Maar dan bestonden die ruimten en die duivels al en gingen die goden dus niet vooraf aan de wereld.
5. Uw theorie maakt uiteindelijk een einde aan het idee dat de mens volkomen uniek is en apart staat tegenover de rest van de natuur. In de twintigste eeuw is er natuurlijk nog regelmatig gesteld dat de mens een creatie is van de cultuur, en dus van zichzelf, maar geleidelijk weten we wel beter. Mensen scheppen culturen om met bepaalde omgevingen te kunnen omgaan. Er zijn ook andere dieren met cultuur, bijvoorbeeld de chimpansee, maar die cultuur doordringt nog niet alle handelingsdomeinen. Toch ontdekken we steeds meer dat er toch universeel menselijke kenmerken onder alle culturele variatie zitten. Er zitten bijvoorbeeld vaste patronen in de gevoelens van mensen in velerlei cultuuren, maar de officiële huwelijksvormen hangen sterk af van ecologische factoren. Verschillende studies laten zien dat wat in de verschillende culturen precies opgevat wordt als “succes” sterk afhangt van de omgeving, maar dat het wel steeds de succesvollen zijn – of dat nu de beste jagers, krijgers, boeren, of handelaars zijn – die de meeste vrouwen en kinderen hebben. Culturen die helemaal indruisen tegen onze natuurlijke impulsen kunnen eventjes bestaan, maar zullen al snel weer worden teruggedraait. Uiteindelijk draait de cultuur om het doorgeven van genen. Die kennis danken we aan u, ook al wist u nog niets van genen.
6. Uw theorieën helpen ons enorm bij het begrijpen van altruïsme en moraal. Omdat u nog niets wist van genen kon u niet bevroeden dat we met behulp van genen de oorsprong van de hypersociale werksterklasse bij vliesvleugeligen zouden kunnen verklaren. Maar blijkens hoofdstuk 5 van de Descent of Man zat u toch wel op een goed spoor met het verklaren van de moraal. U wijst bijvoorbeeld op de grote rol van bondgenootschappen en op de rol van lof en laken. U suggereert zelfs dat een voortdurende stammenstrijd bij primitieve mensen gedisciplineerde groepen zou kunnen kweken met een hoge graad van harmonie. Het lijkt er echter op dat ook al een klein beetje competitie tussen groepen voldoende is om de saamhorigheid binnen een groep te bevorderen. Er is recent geopperd dat de gedeelde zorg voor zeer afhankelijke baby’s en kinderen de onderlinge zorgzaamheid bij mensen zou hebben bevorderd. We zijn er nog lang niet uit hoe de moraal precies ontstaan is. Maar de huidige modellen beginnen alle met de basis die u gelegd heeft met de begrippen van natuurlijke en seksuele selectie.
7. Het probleem van de vrije wil krijgt een nieuwe dimensie vanuit uw theorieën. In de eerste plaats lijkt de angst ongegrond dat onze bewuste beleving een compleet fout beeld geeft van ons gedrag. Zelfbedrog kan heel functioneel zijn, vooral in sociale en morele contexten. Maar anderzijds zou bewustzijn niet geëvolueerd zijn als het geen functie had. Ons beeld van menselijk gedrag moet enigszins juist zijn om dezelfde reden dat ons beeld van de wereld enigszins juist moet zijn: om te overleven hebben we soms goede informatie nodig. Het ziet er dus naar uit dat de berekeningen die wij op ons “organisch dashboard” uitvoeren kunnen resulteren in èchte beslissingen. Geen wonder dat niets zoveel energie vreet als een groot besluit. Aan de andere kant straft het proces van selectie individuen af die al te vrij zijn en hun driften en biologische doelen totaal verwaarlozen. De wil is dan misschien een beetje vrij, zonder drang en driften die ons dwingen om doelen te bepalen, is zij volkomen stuurloos. Net zoals een gebrek aan vrijheid het aanpassingsvermogen beperkt, zo zou een teveel aan vrijheid ons doen uitsterven.
8. Filosofen zijn de laatste eeuw heel erg bang geworden dat er morele principes worden afgeleid uit uw theorieën. Dat komt voor een deel omdat men niet begreep dat er ook heel veel prettige eigenschappen kunnen ontstaan door natuurlijke en seksuele selectie. Maar natuurlijk kun je geen waarden afleiden uit feiten. Uit de wetenschap volgen geen voorschriften, omdat je logisch gezien geen behoren af kunt leiden uit een zijn. Maar ondanks die logische kloof, liggen wetenschap en wijsheid natuurlijk dicht bij elkaar en worden zij vaak door dezelfde mensen belichaamt. Mensen hebben nu eenmaal vaak gelijke belangen, doelen en zorgen. Zij kunnen derhalve vaak semi-objectiverend praten over dat wat zij gezamenlijk als wenselijk en “goed” beschouwen. In de praktijk bestaat er natuurlijk geen absoluut “platoons” goed dat boven de partijen goed is voor allen. Moralen belichamen nu eenmaal belangen en wat goed is voor de één is vaak minder goed voor de ander. Toch denk ik dat er vanuit een evolutionair perspectief veel te zeggen valt over normen en waarden. Het belang van dierenwelzijn wordt belangrijker naarmate we meer weten over bewustzijn bij dieren. Het idee van gelijkheid kan een nieuwe impuls krijgen als we ons realiseren dat mensen onderling sterk verwant zijn en dat menselijke verschillen vaak verschillend geëvolueerde talenten zijn. Een groot deel van onze evolutie hebben wij doorgebracht in behoorlijk “platte” samenlevingen waarin alle talenten nodig waren en iedereen er bijhoorde. Kennis van de evolutie herinnert er ons tenslotte aan dat wij deel uitmaken van de natuur en dat wij vergaand afhankelijk zijn van gunstige klimatologische omstandigheden. Wij zijn geëvolueerd onder bijzondere klimatologische omstandigheden en wij zullen hoogstwaarschijnlijk ook weer uitsterven onder bijzonder klimatologische omstandigheden. We hebben dus heel goede redenen om een beetje voorzichtig om te springen met het klimaat.
Geachte heer Darwin, beste Charles, die laatste zinnen zouden u waarschijnlijk zeer verbazen. Dat een bijzondere aap zou kunnen bijdragen aan een klimaatverandering was in de negentiende eeuw nauwelijks voorstelbaar. U heeft bovendien altijd het uniformitarisme omarmt en niet het catastrofisme van Cuvier en consorten. Ik moet bekennen dat we erachter komen dat ook het catastrofisme waar blijkt te zijn, ook al is er geen god die na elke catastrofe opnieuw begint, zoals Cuvier dacht. Maar rampen spelen een grote rol in de evolutie. In zekere zin is de mensheid ondertussen een “plaag” geworden die de evolutie net zozeer kan gaan beïnvloeden als voorheen vulkanen, kometen, en continentendrift: Malthus meets Cuvier.
Ik kan me voorstellen dat u het op dit moment niet meer kan volgen. Dat hoeft ook niet. Op dit moment volstaat het dat u zich realiseert dat we op bijna alle gebieden van de filosofie verder zijn gekomen door uw inspanningen en dat we op dit moment uw visie wel eens meer dan ooit nodig hebben. Daarom hoop ik dat filosofen u nog vaker betrekkingen in hun beschouwingen dan ze voorheen hebben gedaan. Dat ze u opnemen in hun geschiedenissen van het denken. En dat uw boeken blijven bijdragen aan het besef hoezeer we we voortkomen uit en afhankelijk zijn van de natuur die we nog steeds meestal zo gedachtenloos verstoren.

Read Full Post »